De inrichting van gemeenschappelijke meldkamers levert nog steeds organisatorische problemen op en dat, terwijl de Gemeenschappelijke Meldkamer (GMK) hét informatieknooppunt is in de veiligheidsregio en veelal de enige echte fysieke ontmoetingsplaats van de verschillende hulpdiensten (buiten de inzet op straat). Het proces om te komen tot een GMK verloopt vaak moeizaam, projecten lopen zelfs vast, directies zitten soms ‘met de handen in het haar’ en centralisten lopen op hun tenen. De GMK lijkt de achilleshiel van de veiligheidsregio.
Mijn angst is, dat er geen sprake is van een ontwikkeling van de GMK’s, omdat meldkamers in Nederland stilstaan in de fase van de co-locatie (alleen samenwerking op het gebied van de huisvesting en de ICT). Door de ontwikkeling van een échte GMK kan de multidisciplinaire samenwerking in de veiligheidsregio juist de noodzakelijke impuls krijgen. Deze kans moet dan wel worden aangegrepen door de juiste betrokkenen. Wie moet daarbij voorop lopen?
Een GMK is méér dan een co-locatie
In een GMK werken de politie-, brandweer- en ambulancediensten idealiter samen aan de afhandeling van de meldingen over incidenten. De gedachte achter het instellen van een GMK is, dat door een gemeenschappelijke voorziening betere samenwerking ontstaat (tussen de hulpdiensten), waardoor uiteindelijk een betere en snellere inzet bij incidenten en een betere bestrijding van rampen en crises in een gebied kunnen worden bereikt. Een GMK moet méér zijn dan een co-locatie van meldkamers. Er moet sprake zijn van verdergaande samenwerking tussen de verschillende disciplines op cultureel, proces- en systeemniveau, waarbij de verschillende disciplines als zodanig nog steeds herkenbaar moeten zijn op hun eigen vakgebied. Daarmee tonen zij juist hun meerwaarde in de samenwerking; centralisten handelen aanvullend op elkaar. Samenwerking is immers niet hetzelfde als samenvoeging! De ontwikkeling van een échte GMK moet wat ons betreft dus zeker niet leiden tot zogenaamde ‘grijze centralisten’.
Wat gaat er nu mis?
Nu is er in veel regio’s nog geen sprake van échte samenwerking op de meldkamer. Wel is er sprake van co-locatie. Enige andere gemeenschappelijkheid is vaak nog niet aan de orde. Ik merk in onze adviespraktijk, dat het multidisciplinaire besef bij de intake en de afhandeling van kleine en grote incidenten nog niet optimaal is, de medewerkers van de verschillende meldkamers (de politiemeldkamer, de alarmcentrale brandweer (AC) en de Meldkamer Ambulancezorg (MKA)) langs elkaar heen werken, culturen botsen, er knelpunten in de informatie-uitwisseling ontstaan (vanwege de bekende discussies over de vertrouwelijkheid van de opsporingsinformatie en de beroepsethiek van verpleegkundigen) en dat de gemeenschappelijke (opschalings-)processen nog onvoldoende werken.
Waarom gaat het mis?
Doelverschuiving
De voornaamste aanleiding voor het inrichten van GMK’s in Nederland is dat de multidisciplinaire inzet bij rampen en crises, zeker in het zogenaamde ‘gouden uur’, onvoldoende was1). Met het instellen van een GMK moet het verbeteren van de multidisciplinaire aanpak bij grote calamiteiten, rampen en crises dus voor ogen staan. Deze aanleiding wordt volgens ons nog te vaak over het hoofd gezien. Regio’s richten zich momenteel vooral op de reductie van de kosten van de meldkamerfunctie (door efficiencyverbetering) en de technische kwaliteitsverhoging (door systeemintegratie). Zij blijven weg van de basis van crisisbeheersing, waardoor een gemeenschappelijk kader voor de processen, de systemen én de cultuur ontbreekt.
De politie bepaalt veelal de inrichtingsvereisten
In veel regio’s is de politieorganisatie bij de inrichting en het beheer van de GMK dominant2). Hiervoor geeft de politie vaak twee redenen:
- het reguliere werk, dat in de meldkamer wordt verricht, bestaat voor een
aanzienlijk deel uit meldingen voor de politie
- de politie vindt, dat zij over de juiste competenties beschikt voor de dienstverlening, de bedrijfsvoering en de procesoriëntatie om de regie over de meldkamer te voeren. In die gevallen levert de politie vaak dan ook de projectleider en de projectorganisatie.
De inrichtingsvereisten van de politie zijn in die gevallen vaak leidend en worden
voor de GMK op onderdelen aangepast voor de andere diensten. Het besef dat de gemeenschappelijkheid ook specifieke eisen stelt aan de GMK lijkt minder aanwezig. Nu zijn er daarom veel ‘blauwe’ GMK’s in Nederland3), terwijl de brandweer en de GHOR aan het veiligheidsbestuur wel verantwoording moeten afleggen over de GMK. Dat dit onder andere óók de consequentie is van de Wet veiligheidsregio’s wordt door de betrokken politieorganisaties echter niet of nauwelijks gerealiseerd, wellicht omdat zij zichzelf nog onvoldoende als onderdeel van deze veiligheidsregio beschouwen4). Dit proces levert in veel regio’s continu spanningen op tussen enerzijds de brandweerorganisatie en de ambulancedienst en anderzijds de politieorganisatie. Een veel gehoorde klacht is dan ook, dat de betrokken disciplines zich in dit proces niet gelijkwaardig voelen. Hierdoor komt wederzijds vertrouwen en daarmee de samenwerking moeizaam op gang in de veiligheidsregio.
1) Onder andere als gevolg van de rapporten van Oosting en Alders en de Rapportage IOOV Melding en opschaling, informatie en communicatie bij acute rampen, IOOV, september, 2001.
2) Ervaringen van Twynstra Gudde en Inventarisatie Veiligheidsregio’s, Programma Veiligheidsregio’s, juni 2007.
3) Ervaringen van Twynstra Gudde en Inventarisatie Veiligheidsregio’s, Programma Veiligheidsregio’s, juni 2007.
4) Zie ook de rapportages Berusten of afwachten, de politie binnen de veiligheidsregio, COT, 2005 en De politie in de veiligheidsregio; van toeschouwer naar deelnemer!, Twynstra Gudde, 2007.
Hoe kan het beter?
Kansen blijven liggen op bestuurlijk niveau
Hoe kan het toch dat deze ongewenste processen optreden? Mijn visie is, dat het bestuurlijk niveau kansen laat liggen. Doordat daar geen gezamenlijke (multidisciplinaire) ambitie wordt geformuleerd, verschuift deze ambtelijke niveau. Het voorzien in een GMK is de verantwoordelijkheid van het veiligheidsbestuur in de regio5). Het veiligheidsbestuur moet deze verantwoordelijkheid dan ook op zich nemen. Ik ben van mening, dat de veiligheidsbesturen deze verantwoordelijkheid thans nog onvoldoende serieus nemen. Wellicht is dat mede ingegeven, doordat het voor de burgemeesters niet uitmaakt welke organisatie belast is met de inrichting van de GMK. Vanwege hun ‘dubbele pet’ (zij zijn immers lid van beide besturen) gaan zij er toch over. Dit is jammer. De gemeenschappelijke functionaliteit van de GMK wordt hierdoor nog onvoldoende vormgegeven en de meldkamer blijft staan op het niveau van co-locatie.
Bestuurders zijn aan zet
De bestaande verschillen tussen de disciplines leiden in de GMK niet tot een vanzelfsprekende samenwerking. Op bestuurlijk niveau kan deze brug wel eenvoudig worden geslagen. Vanwege de personele unie van beide besturen (het veiligheidsbestuur en het Regionaal College van de politie) liggen juist op het bestuurlijk niveau kansen voor de (door)ontwikkeling van de GMK. De bestuurders zijn dus aan zet! Zij dienen gezamenlijk te komen tot richtinggevende uitspraken over de toekomstige multidisciplinaire inrichting van de meldkamerfunctie in de veiligheidsregio. Daarmee krijgen de ambtelijke organisaties heldere multidisciplinaire kaders en doelstellingen voor de toekomst. De diensten worden meer gedwongen om tot een effectieve samenwerking te komen. Wanneer wij hierin slagen, ontwikkelt de GMK zich wellicht van een achilleshiel tot een kans voor de multidisciplinaire samenwerking in de veiligheidsregio.
5) Zie ook voorstellen Wet veiligheidsregio’s en de Wet Ambulancezorg.
